logotype

‘Ik was een vlinder die van aandacht genoot’ 

 Rika Jansen

   (8 oktober 1924 – 21 januari 2016)

 

tekst : Cees Mentink
foto's: collectie Cees Mentink

 

Rika Jansen wist de tekst van liedjes met gevoel over te brengen.

 

De op 8 oktober 1924 in Amsterdam als Hendrika (Rika) Elisabeth Jansen geboren Zwarte Riek,  is donderdag 21 januari op 91-jarige leeftijd overleden in een verzorgingshuis te Zandvoort.

Zij verwierf grote bekendheid met liedjes als  Hoe komt de kersepit in de frambozenjamMijn wiegie was een stijfselkissie en Alle apies in de Artis,allen  op tekst en muziek van haar 2e echtgenoot, Kees Manders, broer van Tom ‘Dorus’ Manders.

Doo de deuntjes en levensliedjes als  Hup sjansé de platte boender, Oude man met je akkordeon, Amsterdam huilt,  Heimwee naar Amsterdam, De stenen wil ik zoenen en Wie weet ’t beter dan je eigen moeder verwierf ze de titel van ‘Jordaanprinses’.

 

Rika Jansen bracht als eerste in Nederland een one-woman-show.

 

Liefde

Het in 1971 op Imperial opgenomen Ik weet waar Abraham de mosterd haalt geeft haar leven aardig weer. In de in 2014 uitgegeven biografie, geschreven door voormalig De Telegraafjournalist Kees Rutgers maakt Rika er geen geheim van ‘een liefhebster van de liefde’ te zijn. Nauwelijks 15 jaar heeft zij een innige band met gitarist Cor Baan, die later veelvuldig zal opduiken in talloze radio-orkesten.

Zij noemt Piet van Heerde ‘de enig grote liefde in haar leven’, zij wordt in 1944 zwanger van de getrouwde Piet, die wordt gearresteerd en afgevoerd. Rika trouwt op 23 november 1944 met ene Otto, die straalverliefd op haar is. Nergens is de achternaam van de deze bruidegom te achterhalen.  Het tweetal krijgt op 15 januari 1945 een dochter, Riekie, die liever Ricky wordt genoemd.

Over haar laat Rika haar biograaf optekenen: ‘Zij was een lekkere meid met een mooi lichaam en grote borsten.’ Ricky is 20, Rika 40 en oma 60 wanneer Ricky een zoon krijgt , Ricardo. Rika’s dochter overlijdt in 1994 vier maanden na haar huwelijk.

 

Te gast bij Willem Duys in ‘Voor de vuist weg’.

 

Kees Manders

Na de Tweede Wereldoorlog treedt Rika op in cafés en als parterre-acrobate in een circusact.

Het huwelijk met Otto loopt spaak. Rika ontmoet de 12 jaar oudere Kees Manders die als revue-artiest furore maakt. Hij treedt op voor de radio en schrijft boekjes met moppen.  Kees staat in 1952 met de revue ‘Mijn hart kreunt voor jou’ in Carré, hij laat Rika auditeren en ziet meteen  de artistieke en commerciële mogelijkheden van de ranke, slanke en kittige ravenzwarte Rika. Ze gaan samenwonen, trouwen en de carrière van Rika lijkt van de grond te komen. Manders gaat voor haar schrijven, stuurt Rika naar een zangpedagoog en laat haar ook spraaklessen nemen.

‘Kees doet alles voor me,’ meldt ze in een interview in De Telegraaf.

 

 

Publiciteitsfoto voor het grammofoonplaatje Alle apies in de Artis.

 

Jordaanprinses

Het is inmiddels medio jaren ’50. Het Jordaanlied schalt door het land. Johnny Jordaan en Tante Leen worden ‘wereldberoemd’ in Nederland. Voor Rika en Kees betekent dat repertoire als Ik heb rooie en witte radijs in de ban gaat. Nieuw materiaal moet er komen. Mijn wieggie is het eerste resultaat.

Kees weet als geen ander hoe hij Rika moet ‘brengen’. Hij zorgt voor publiciteitsstunts en haalt de voorpagina’s en weet zijn vlam voor de radio en televisie te brengen.

De verdiensten worden geïnvesteerd in ’t Uiltje, een nachtclub aan het Thorbeckeplein. Rika brengt daar haar levensliedjes gelardeerd met ‘een vlotte babbel’ ten gehore.

’t Uiltje wordt Moulin Rouge, een naam die garant staat voor ohlala en vooral mannelijk publiek. Rika heeft de lange zwarte manen afgeknipt, de rode baaien rok verwisseld voor gewaagde zwarte setjes.  Er wordt een show rond haar gebouwd,met  zang en dans, conference en typetjes.

De 100ste voorstelling wordt bijgewoond door Conny Stuart, Ko van Dijk, Toon Hermans en met Wim Sonneveld doet Rika een charleston.

 


 ’t Uiltje, dat later werd omgedoopt tot Moulin Rouge.

 

Verslechterde gezondheid

Ze heeft geen rust. Na de show ‘Tussen Plumes, Pluche en Plastic’, met een voorstelling in Carré, waarin zij als een vedette wordt geannonceerd, wil zij ingaan op uitnodigingen op te treden in het buitenland. Rika vertrekt naar New York waar ze wordt geëngageerd door Leo Fuld. In diens nachtclub The Sabrah zingt Rika Hebreeuwse en Jiddische liederen. Via Fuld kan ze optreden in Israël en Libanon.

In New York liggen contracten voor Broadway, maar daar zitten zoveel haken en ogen aan dat Rika en Kees besluiten daar niet op in te gaan.

In 1968, wanneer de gezondheid van Rika verslechterd  worden de zaken verkocht en vertrekt het stel naar Spanje. Daar kraakt de relatie en barst uiteindelijk wanneer Rika Kees betrapt tijdens een amoureus buitenechtelijk uitstapje.

Het gaat steeds minder met Rika, ze trouwt nog met een 23 jaar jongere slagersknecht, Hardi Seidi.

Deze relatie is geen lang leven beschoren. Rika is moe, doodmoe. Ze besluit definitief terug te keren naar Nederland. Zij vestigt zich in Zandvoort. Daar vindt ze haar hartsvriendin, buurvrouw Sylvia.

Is het toeval of geen toeval? In augustus 2015 nemen Ben Poelman en ik contact op met Sylvia. Kan zij een interview met Rika regelen? Wij sturen enkele edities van De Weergever, waarna Sylvia belt en zegt dat Rika daar niet voor voelt. ‘Rika heeft het moeilijk,’ zegt ze, ‘haar gezondheid gaat achteruit en ze woont niet meer thuis. Rika is een mens van de dag, het kan morgen afgelopen zijn met haar.’ Sylvia belooft ons verzoek ‘warm’ te houden.  Het interview zal niet meer plaatsvinden.

Het aftakelingsproces dat inherent is aan het klimmen der jaren kan de Jordaanprinses van weleer niet accepteren. De vlinder die het hele leven van de aandacht genoot, trekt zich meer en meer terug en overlijdt in het verzorgingshuis te Zandvoort.

Rika Jansen zal echter niet vergeten worden. Haar liedjes zullen met een zekere regelmaat door de ether klinken. En in Zandvoort siert een steen haar naam en beeltenis, in de Walk of Fame van de mondaine badplaats.

 

 

Een gouden plaat voor Mijn wiegie. Op de foto onder meer Eli Asser, Wiesje Bouwmeester en Hans Boskamp.
Of van de plaat 100.000 stuks werden verkocht, is twijfelachtig.

 

 

Rika kon de aftakeling inherent aan het ouder worden niet accepteren.